Zojuist terug van de maandelijks terugkerende Bijbelgesprekskring voor senioren. Meestal maak ik voor de deelnemers een A4-tje met een Bijbeltekst, een gedicht, de tekst van een liedje-van-vroeger, een afbeelding van een kunstwerk en een aantal gespreksvragen, allemaal rond het thema van de bijeenkomst. Dit keer had ik alleen een flap-over en merkstift geregeld. Onderwerp: de tien geboden.
Op de flap-over noteerde ik de geboden die de mensen (nog) uit hun hoofd kenden. De eerste geboden die ze noemden – en die dus het meeste indruk hebben gemaakt -: geen onkuisheid begeren (9e gebod), eer uw vader en uw moeder (4e gebod), geen overspel plegen (6e gebod). Er ontstond de gebruikelijke verwarring over de nummering, omdat de Protestantse kerk er een andere nummering op nahoudt dan de Rooms-Katholieke kerk.
Als aller-allerlaatste gebod werd genoemd: gij zult niet stelen. Blijkbaar is dat een gebod dat op mij ook niet veel indruk maakte. Bij thuiskomst merkte ik dat ik de merkstift waarmee ik op de flap-over had geschreven gedachteloos in mijn tas had doen belanden…
(De horentjes waarmee Mozes vaak wordt afgebeeld, ook op het tegeltje hierboven, gaan trouwens terug op een foute vertaling van Exodus 34: 29, 30 en Exodus 34: 35. De tekst zegt: “Toen hij (Mozes) van de berg afdaalde – wist hij niet, dat de huid van zijn gelaat straalde (. . .) En al de Israelieten zagen Mozes (en) zie, de huid van zijn gelaat straalde.” Voor het woord ‘stralen’ staat er in de Hebreeuwse grondtekst: qeren. En dat woord kan ook ‘hoorn’ betekenen. En zo is het foutief vertaald in de grote Latijnse bijbelvertaling (de Vulgaat). Er werd gelezen: zij zagen het gelaat van Mozes, gehoornd (cornuta esset facies sua.) Zo werd het gelezen, zo werd het afgebeeld. Al vanaf de elfde eeuw in Engeland en vanaf de twaalfde eeuw ook elders in Europa.)